Kortverhalen

 

 

"Ik ben geboren op 1 juli 1930 in het Limburgse Beverlo. Ik groeide op in een mijncité waar de hiërarchie een grote rol speelde. Mijn vader was bediende op de mijn, we hingen dus ergens halverwege aan de ladder, tussen de kinderen van de vaak geminachte ‘koolputters en kompels’ en de kinderen van de ongenaakbare mijnbazen of ‘die van de kasteeltjes’. Die ladder daalden we altijd veel liever af dan ze op te klimmen.

In 1946 was ik zestien. Door een - voornamelijk ingebeelde - hartziekte van mijn moeder, moest ik mijn middelbare schoolopleiding staken. Omdat ik op school behoorlijke opstellen had gemaakt, begon ik in mijn vrije tijd verhalen te schrijven.

Een van mijn eerste verhalen voor Averbode’s Weekblad wou ik persoonlijk naar de uitgever brengen. Weinig mensen bezaten in die tijd een telefoon. Mijn ouders en buren evenmin. Afspraken werden schriftelijk gemaakt. De dag dat ik bij de pater-uitgever werd verwacht, regende het of het met bakken uit de hemel werd gegoten. Ik haalde mijn fiets uit de bergplaats, want wie in hemelsnaam had een auto in 1946?! (Ik zie nog onze huisdokter met zijn dokterstas op de bagagedrager voorbijfietsen). Ik ploeterde door de gutsende regen richting Averbode. Nu en dan ontwaarde ik in de grijze wereld een wegwijzer. Achteraf ontdekte ik op een wegenkaart, dat ik minstens 30 kilometer in de benen had toen ik bij de Abdij arriveerde.

Ik zag er uit als een verzopen kat. Maar de pater die de zware kloosterdeur voor me opende, ontving me vriendelijk en bracht me naar een verlaten, enorme eetzaal waar hij een kom dampende soep voor me uitschepte. Na de soep maakte ik kennis met pater Bresseleers. Deze aardige pater zou al of niet zijn zegen geven over mijn verhaal.

 

Hij nam het op in zijn weekblad, wellicht uit medeleven met de debutante in haar soppende schoenen. Het honorarium bedroeg… nee, ik werd betaald in natura: een boek met een hartverscheurend verhaal, getiteld ‘De roep van de Rigi’. Misschien vindt een van mijn kinderen het na mijn dood ergens op zolder.

Met de beste wil van de wereld kan ik me niet meer herinneren of het nog goot op de terugweg. Maar alleszins ben ik in barre omstandigheden in de schrijverij terechtgekomen.

 

 

Mijn eerste verhalen verschenen in week- en maandbladen: Averbode’s Weekblad, Libelle en De Tijdspiegel. Ik had geen typemachine, maar geen enkele redactie maakte bezwaar tegen mijn met de hand geschreven inzendingen, die ik weliswaar in zorgvuldige drukletters afleverd. 

 

Verwoed lezer

Genieten vind ik aangenamer dan werken. Want geloof me vrij, schrijven is een lastig karwei. Ik ben jaloers op schrijvers die blijkbaar probleemloos op twee maanden tijd een boek uit hun pen kunnen persen.

Ik heb altijd verschrikkelijk graag en veel gelezen, vaak tot ergernis van mijn moeder die vreesde voor een verslaving. Aan de andere kant had ik een vader met een boekenkast en een abonnement bij het Davidsfonds. Hij kocht ook regelmatig uit het Engels vertaalde romans. Soms pulp, maar ook de werken van Charles Dickens, gebonden in stijve, rode kaften met gouden letters (schatten, waar zijn jullie gebleven!?). Ook bij mijn grootmoeder lag er in de jaren dertig en veertig altijd lectuur voor het grijpen: stapeltjes A. Hans of Courths-Mahler verhalen. Tenslotte was er ‘de Boekerij’. Maar behalve de klassiekers viel daar niet veel te rapen. Soms kreeg je typisch Hollandse meisjeslectuur over aanstellerige bakvissen of vlotte kantoormeisjes die er volgens de illustraties, altijd uitzagen als modeplaatjes. En dan jasses (of jakkes) hun protserige taaltje! Als je bedenkt dat in die tijd bijvoorbeeld het woordje ‘leuk’ niet eens in onze contreien voorkwam.

Misschien hebben al die letters er toe bijgedragen dat ik uiteindelijk zelf in de pen ben geklommen.

 

Niet van u!

Voeg daarbij de lerares Nederlands die ermee dreigde dat ze het boek zou vinden waaruit ik mijn opstellen afschreef. Dat gebeurde het voorlaatste schooljaar.

In elk vak was ik maar erg middelmatig, behalve in wiskunde, dat moeilijk nog een lager cijfer verdragen kon. Ook het opstelschrift bleek onbeduidend. De eerste bladzijde bijvoorbeeld eindigde al weinig bemoedigend met de aanmerking: ‘Veel te kort voor een leerlinge van het tweede middelbaar’. Tot de klas een beschrijving over ‘Ons Dorpke’ werd opgedragen.

Wanneer ik diezelfde avond uit de tram stapte en naar huis wandelde, een flink eind buiten het dorp, daalde juist de herfstzon achter de dennenbossen. Haar rode gloed hing nog om de kleine boerderijen, de donkere akkers, de boer die leunde op zijn spade. De avond en de boer lieten me niet meer los. En plots wist en voelde ik hoe ik het opstel inkleden moest. Niet doodgewoon opsommen, doch in een avond het dorp bekijken door de ogen van de boer. Het was intuïtieve ontdekking, hoe eenvoudig ook, waarop ik enthousiast bleef doorwerken.

 

Het resultaat werd botweg in rode inkt; ‘Niet van u!’ Een sprong uit de bank - een sprong van verontwaardiging en geluk - was de eerste reactie. Ondanks protest schokschouderde de juffrouw en zei, zonder nog verder te willen luisteren: ‘‘t Is mogelijk, maar de fond is niet van u’. Ik snapte niet eens waar dat mens het over had. Ze kon me gestolen worden. Hoewel ik haar dankbaar moet zijn, want er is geen groter stimulans dan het ongeloof van de tegenpartij.

Uit verbetenheid en ook om verborgen blijheid verdubbelde ik mijn pogingen bij de volgende opgave. Opnieuw een schouderophalen en haar gebrek aan geloof. Onverbeterd, zonder schriftelijke aanmerking, kwam het opstel terug. Niettegenstaande dit onbegrip, schoof de verborgen blijheid op het voorplan. Nu was er iets waarmee ik niet bij de middelmaat blijven moest.

Weinige tijd later verwoestte een bombardement het instituut O.L.Vrouw Visitatie in Leopoldsburg en brak onverhoeds het schooljaar af. Juffrouw Ursule heb ik nooit weergezien. Ze verdween zoals er in oorlogstijd zovelen komen en verdwijnen.

De droom was gewekt. Geen mens is er die geen dromen noch verlangens kent. Ons leven is er vol van. Ik droomde - hoe verwaand! - eens een serie romans te schrijven."